Nieuws
Nederlands onderzoek: extra HPV-vaccinatie na behandeling voor voorstadium baarmoederhalskanker biedt geen duidelijk voordeel
Een grote Nederlandse studie heeft geen overtuigend bewijs gevonden dat aanvullende HPV-vaccinatie na een LLETZ-behandeling het risico op terugkeer van voorstadia van baarmoederhalskanker verlaagt. De VACCIN-trial, uitgevoerd in 16 ziekenhuizen, is de grootste gerandomiseerde placebogecontroleerde studie die dit onderwerp tot nu toe onderzocht heeft.
Cervicale intra-epitheliale neoplasie (CIN) is een voorloper van baarmoederhalskanker en wordt veroorzaakt door hoog-risico HPV-typen. Wereldwijd komt CIN bij naar schatting ruim vier procent van de vrouwen voor. Voor hooggradige afwijkingen (CIN 2 en 3) is een LLETZ-procedure (het verwijderen van een deel vanb de baarmoedermond met een lisje) de gouden standaardbehandeling. Hoewel deze methode zeer effectief is, bestaat er een risico dat de afwijkingen terugkomen. Herhaalde behandelingen vergroten de kans op complicaties tijdens een toekomstige zwangerschap, zoals vroeggeboorte.
HPV-vaccinatie is bewezen zeer effectief in de preventie van HPV-infecties en het ontstaan van CIN. Recente studies laten zelfs een daling tot 88 procent zien in het risico op baarmoederhalskanker. Maar of vaccinatie ook zin heeft bij vrouwen die al een HPV-infectie of CIN hebben, is onzeker. Sommige landen bevelen adjuvante vaccinatie al aan rondom een LLETZ, maar stevig bewijs uit gerandomiseerde onderzoeken ontbrak.
De VACCIN-studie had tot doel deze leemte in kennis op te vullen. In totaal werden 840 vrouwen met histologisch bevestigde CIN 2–3 geïncludeerd. Uiteindelijk ondergingen 809 deelnemers de interventie: de helft ontving het nonavalent HPV-vaccin (Gardasil 9), de andere helft kreeg een placebo. De eerste vaccinatie werd gegeven op de dag van de LLETZ, gevolgd door doses na twee en zes maanden. De deelnemers werden twee jaar gevolgd.
Na 24 maanden werd bij 23 vrouwen in de vaccinatiegroep (~6 procent) een recidief CIN 2–3 vastgesteld, tegenover 35 vrouwen (~9 procent) in de placebogroep. Hoewel dit neerkomt op een relatieve risicoreductie van 33 procent, was het verschil statistisch niet significant. Het effect zou dus op toeval kunnen berusten. Ook in andere uitkomstmaten, zoals HPV-positiviteit, aantal extra LLETZ-procedures of kwaliteit van leven, werden geen duidelijke verschillen gezien. De vaccinatie werd over het algemeen goed verdragen, er kwamen alleen lokale bijwerkingen zoals roodheid en pijn op de injectieplaats vaker voor bij de HPV vaccinatie groep.
Volgens de onderzoekers is dit voldoende bewijs dat routinematige HPV-vaccinatie ná een LLETZ-behandeling momenteel niet zinvol is. Wel benadrukken zij dat zelfs een kleine risicoreductie relevant zou kan zijn, gezien de grote impact van recidief en de lage belasting van vaccinatie. Ook pleiten de onderzoekers voor aanvullend onderzoek naar mogelijke subgroepen die wellicht wél extra baat hebben bij adjuvante vaccinatie, bijvoorbeeld op basis van leeftijd, type HPV-infectie of snijranden van het verwijderde weefsel.
Voor nu concludeert de VACCIN-studie echter dat aanvullende HPV-vaccinatie na een LLETZ-behandeling niet standaard moet worden aanbevolen.
Bron: van de Laar et al. Adjuvant prophylactic human papillomavirus vaccination for prevention of recurrent high-grade cervical intraepithelial neoplasia lesions in women undergoing lesion surgical treatment (VACCIN): a multicentre, phase 4 randomised placebo-controlled trial in the Netherlands. The Lancet Obstetrics, Gynaecology, & Women’s Health, Volume 1, Issue 1, e37 - e46 (Adjuvant prophylactic human papillomavirus vaccination for prevention of recurrent high-grade cervical intraepithelial neoplasia lesions in women undergoing lesion surgical treatment (VACCIN): a multicentre, phase 4 randomised placebo-controlled trial in the Netherlands - The Lancet Obstetrics, Gynaecology, & Women’s Health)